Publicaties over het
Nederlands Online Panel Vergelijkings Onderzoek (NOPVO 2006)
Uitkomsten van het NOPVO
In
diverse media zijn publicaties verschenen over de uitkomsten van het
NOPVO.
Print Media
CLOU
- september 2006
Volkskrant - 16 september 2006
Adformatie nummer
38 - 21 september 2006
Adformatie nummer
40 - 5 oktober 2006
Tijdschrift voor Marketing - november
2006
Research World - december 2006
E-data&research
- december 2006
Discussies in weblogs over het NOPVO
MOLBLOG
Marketing facts
Marja's Blog
Overige publicaties op internet
MarketResponse
Op TV
Zembla:In de peiling - 19 november 2006 -
Zembla uitzending
CLOU september 2006
Voor dat u begint te lezen:
In dit artikel wordt gesproken over 600.000
unieke panelrespondenten. Tussen het schrijven van het artikel en de
publicatie zijn we erachter gekomen dat de berekeningswijze van dit
getal niet correct was. Er was geen rekening gehouden met de grotere
kans van respondenten die in meerdere panels zitten om in de steekproef
te komen. Daarnaast heeft een aantal panels de opgave over het aantal
actieve panelleden herzien. Het correcte getal unieke respondenten is
ca. 900.000. Daarvan
zitten er ca. 700.000 in 1 panel en ca. 200.000 in meerdere panels. Die
200.000 vullen overigens wel 80% van alle vragenlijsten in.
Online panels, goed bekeken
Door Robert van
Ossenbruggen ProCression - Ted Vonk Onderzoekpaleis -
Pieter Willems Millward Brown
Respons van panels die varieert tussen 19% en 77%, panelleden
die gemiddeld lid zijn van bijna 3 panels, panels die elkaar voor meer
dan 40% overlappen, 600.000 unieke panelrespondenten, 25.000.000 online
enquêtes per jaar: Nederland is hét online panelland in de wereld en
voor het eerst in de geschiedenis van online onderzoek is deze
Nederlandse panelmarkt uitvoerig in kaart gebracht. Niet minder dan 19
online panels, samen goed voor ruim 90% van al het panelonderzoek in
Nederland, hebben meegewerkt aan een vergelijkingsonderzoek waarin de
invloed van panelmanagement, de samenstelling van panels en
eigenschappen van panelleden onder de loep zijn genomen. We speken over
het Nederlands Online Panel Vergelijkingsonderzoek (NOPVO) 2006. Op 14
september zijn de eerste resultaten gepresenteerd tijdens een MOA
bijeenkomst te Utrecht. Hieronder zetten we enkele bevindingen op een
rij. Tussen nu en december 2006 zullen de resultaten uitvoerig in de
media verschijnen. Via MOAweb.nl en Clou blijft u daarvan op de hoogte.
Waarom NOPVO?
De markt voor online onderzoek is in Nederland bijzonder sterk gegroeid.
Inmiddels wordt meer dan 50% van het opinie- en marktonderzoek via
Internet uitgevoerd. Met die groei van online onderzoek is ook het
aantal panels stek toegenomen. Inmiddels beschikken we in Nederland over
meer dan 20 online access panels, goed voor in totaal – naar eigen
opgave van de panels – meer dan 1,7 miljoen panelleden die beschikbaar
zijn voor onderzoek. Nederland is, met dit aantal panels en omvang van
de panelbase in verhouding tot de populatie, het grootste panelland in
de wereld.
Met dit snelgroeiende aanbod van panels is ook de bezorgdheid toegenomen
over de kwaliteit van panels. In welke mate leveren deze panels dezelfde
resultaten? Is er sprake van substantiële paneloverlap en wat is de
invloed daarvan? Wie melden zich aan bij panels en is deze groep
voldoende vergelijkbaar met de Nederlandse populatie? Om een gefundeerd
antwoord te vinden op deze vragen, is vorig jaar het project NOPVO
opgestart.
19 panels hebben meegedaan aan het empirisch onderzoek
NOPVO 2006 is een uniek onderzoek waaraan 19 panels die actief zijn in
de Nederlandse markt hebben meegewerkt. Deze 19 panels vertegenwoordigen
meer dan 90% van de respondenten die aan onderzoek meedoen. Het
hoofddoel van het NOPVO was de verschillen tussen online panels op
gestructureerde wijze in kaart te brengen. Met daarbij als kernvraag: in
welke mate leidt een typisch marktonderzoek uitgevoerd door de
verschillende online panels tot dezelfde uitkomsten en conclusies?
Daarnaast zijn diverse andere aspecten van online panels onder de loep
genomen. Kortom, de online panels zijn een keer goed bekeken. In het
kader op deze pagina’s staat de onderzoeksopzet beschreven.
Respons varieert tussen 19 en 77%
Er zijn aanzienlijk verschillen in respons. Deze varieert van 19% tot
77% (zie Figuur 1). Een hogere respons wordt onder andere verklaard
door:
-
De wijze waarop respondenten door het panel geworven zijn.
Een actieve benadering van respondenten (telefonisch of via traditioneel
onderzoek) levert de hoogste response.
-
Zekerheid over de hoogte van de beloning
Voorts was het opvallend dat enkele panels een substantieel gedeelte van
de uitnodigingen verstuurd hebben naar panelleden die al meer dan een
jaar niet meer gerespondeerd hebben. Sommige panels maken duidelijk niet
gebruik van panelhistorische gegevens bij hun steekproefselectie.
Niet ieder panel stuurt steekproef optimaal aan
Ook bij de verdeling van de steekproef zagen we dit gebrekkige
steekproefbeleid bij sommige panels terug. De panels is gevraagd een
bruto steekproef aan te leveren die uiteindelijk tot een zo goed
mogelijke afspiegeling van de Nederlandse samenleving moest leiden
(binnen het leeftijdsbereik 18 t/m 65 jaar). In tegenstelling tot wat er
bij het dagelijkse veldwerk praktijk is, mocht er tijdens het veldwerk
niet gequoteerd worden op kenmerken en mocht er geen reminder worden
uitgestuurd. Op basis van interviewhistorie van de panelleden en
responskengetallen van de diverse achtergrondkenmerken moet het mogelijk
zijn een steekproef samen te stellen die als uiteindelijk resultaat
nauwelijks afwijkingen vertoont van de zogenaamde Gouden Standaard (GS)
verdeling. De werkelijkheid is echter anders: steekproeven worden lang
niet altijd optimaal aangestuurd. Slechts zes panels slaagden erin een
netto steekproef te realiseren die geringe afwijkingen vertoont ten
opzichte van het ideaal beeld.
Niet alleen maar studenten en werkelozen
Afwijkingen van achtergrondkenmerken ten opzichte van de Gouden
Standaard verdeling op de sociaal economische klasse zijn beperkt. Een
regelmatig geuite vrees dat het merendeel van de panelleden studenten en
werkelozen zouden zijn blijkt (gelukkig) niet te kloppen.
Beperking van het aantal uitnodigingen voor onderzoek heeft weinig
zin
Tabel 1 laat zien dat bijna tweederde (62%) van de responderende
panelleden lid is van meer dan één panel. Ongeveer 3% is lid van meer
dan 10 verschillende panels. Gemiddeld is men lid van 2,7 panels. Er
zijn zelfs respondenten die lid zijn van meer dan 20 panels. Er zijn
panels die elkaar voor meer dan 40% overlappen. De vraag is in hoeverre
een weloverwogen uitnodigingsbeleid dan nog zin heeft bij deze mate van
overlap. De zorg die aan respondenten wordt besteed, wordt doorkruist
door de activiteiten van andere panels!
Er zijn slechts 600.000 unieke panelleden in Nederland
Op basis van de opgave van de deelnemende panels aan het NOPVO zijn er
zo’n 1.350.000 panelleden. In het overzicht ontbreken een paar
commerciële panels die naar schatting goed zijn voor nog eens 150.000
panelleden. Naast de panels van marktonderzoekbureaus zijn er nog
diverse panels van omroepverenigingen, universiteiten en hogescholen,
vakbonden en klantenpanels van bedrijven. Ook die zijn goed voor ca.
150.000 leden. Bij elkaar gaat het dus om 1.650.000 respondenten. Het
aantal unieke panelleden is echter beduidend lager.
Gerelateerd aan het gemiddelde van 2.73 lidmaatschappen houdt dat in dat
er ca. 600.000 unieke panelleden zijn. Op een populatie van 10,5 miljoen
volwassenen is dit een aandeel van minder dan 6%. Zouden deze mensen in
gelijke mate vragenlijsten invullen, dan valt het percentage nog wel
mee. Echter in het licht van het feit dat een klein gedeelte van hen een
relatief groot deel van de vragenlijsten beantwoord, komt de
representativiteitsassumptie serieus onder druk te staan.
Panelleden: ze hebben het maar druk mee….
De panelleden die wel aan onderzoek meedoen, doen dit in bijzondere
intensieve mate. Additioneel rekenwerk op variabelen zoals aantallen
uitnodigingen, aantallen ingevulde vragenlijsten, paneloverlap en
panelomvang leidt tot een schatting van het jaarlijks via online panels
aantal ingevulde vragenlijsten van ca. 25.000.000 in Nederland.
Gemiddeld vullen panelleden één keer per week een vragenlijst in. Echter
een groot deel van de vragenlijsten wordt ingevuld door respondenten die
elke werkdag aan marktonderzoek meedoen.
Soms aanzienlijke verschillen in uitkomsten
Figuur 2 laat zie dat er aanzienlijke verschillen in de uitkomsten
voorkomen. Overigens moet wel vermeld worden dat zelfs bij identieke
omstandigheden enige fluctuatie ten gevolge van steekproeftrekking te
verwachten valt. Verschillen zijn aanzienlijk kleiner wanneer de panels
met het hoogste en laagste percentage op een bepaald resultaat worden
verwijderd. Door de extremen te beschouwen als ‘uitbijter’ ontstaat een
realistischer beeld van de werkelijke bandbreedte in de markt. Ondanks
dat een aantal panels sterk overeenkomstige resultaten opleveren, kan de
conclusie getrokken worden dat het overstappen naar een ander panel een
grote kans op trendbreuken geeft en derhalve sterk af te raden valt.
To be continued….
Ten tijde van het schrijven van deze bijdrage waren we nog druk bezig
met het analyseren van de data. De resultaten zijn veel omvangrijker en
substantiëler dan we dachten. Vanaf oktober zullen thema gewijs de
resultaten in de media gepubliceerd worden. De thema’s betreffen onder
andere: effecten van panelmanagement, respons- en leereffecten en
typologie van panelleden. Het is in ieder geval nu al duidelijk dat we
met een situatie te maken hebben waarin de representativiteit van
marktonderzoeksgegevens uit online panelonderzoek onder druk staat.
Zolang het om relatieve veranderingen van merk- of reclamebekendheid
gaat en continue van hetzelfde panel gebruik wordt gemaakt, zullen er
niet zo snel misleidende conclusies worden getrokken. Maar een uitspraak
doen over absolute cijfers in de populatie of doelgroep, vraagt om
andere afwegingen dan tot nu toe vaak gemaakt worden. De komende tijd
kunt u hiervoor meer concrete input van ons verwachten.
Opzet NOPVO
Het NOPVO is een vergelijkingsstudie met als
belangrijkste doel de online panelmarkt in Nederland in kaart te
brengen. Het onderzoek bestaat uit twee delen. Het eerste deel is
een inventarisatie van de kenmerken van panels zoals die in de markt
worden gecommuniceerd. De zogenaamde ’25 vragen van ESOMAR’ vormden
hiervan het uitgangspunt. De resultaten zijn in deze CLOU in
gecomprimeerde vorm terug te vinden. Het complete overzicht is
binnenkort te vinden op
www.moaweb.nl. Het tweede deel van de studie is een empirisch
onderzoek, waarbij alle deelnemende panels dezelfde vragenlijst
afnemen. De doelpopulatie heeft de volgende omschrijving: 'De
Nederlandse consument tussen de 18 en 65 jaar’. Elk panel heeft zijn
eigen bruto steekproef samengesteld met als doel een zo
representatief mogelijke netto steekproef te realiseren zonder te
quoteren tijdens het veldwerk. Er werden verder geen eisen gesteld
aan de verdeling van achtergrondkenmerken in de bruto steekproef.
Hoe de representativiteit van deze steekproef gegarandeerd wordt was
dus aan de panels zelf. Panels hebben uitgemaild naar een bruto
steekproef van 1000 panelleden. De resultaten van het empirische
deel worden geanonimiseerd gerapporteerd.
Maaike Vonk heeft als projectmanager gefungeerd. Zij
heet de contacten met de panels onderhouden en voor de verwerking
van de data gezorgd.
NEBU heeft als onafhankelijke partij de vragenlijst
geheel kosteloos gescript volgens de huidige standaarden voor online
dataverzameling. Elk panel heeft een opmaakdefinitie aangeleverd
zodat de vragenlijst er voor de panelleden precies zo uitziet als
zij gewend zijn. Het veldwerk verliep in een afgebakende periode van
7 dagen (27 april tot en met 4 mei). Er zijn geen eisen gesteld aan
het aantal te leveren ingevulde vragenlijsten. De gerealiseerde
netto steekproef is dus een resultante van het onderzoek. De netto
steekproef is uiteindelijk gewogen op basis van leeftijd, opleiding,
geslacht en Nielsenregio, naar landelijke cijfers volgens de Gouden
Standaard. De resultaten van dit onderzoek zijn 14 september
gepresenteerd op de MOA themamiddag ‘Online panels, goed bekeken!
Voor vragen en reacties over dit project kunt u mailen naar
NOPVO@moaweb.nl
Lidmaatschap
aantal panels
|
|
% |
|
1 panel |
38 |
|
2 panels |
15 |
|
3 panels |
14 |
|
4 panels |
10 |
|
5 panels |
7 |
|
6-10 panels |
13 |
|
Meer dan 10
panels |
3 |
|
|
100 |
Figuur 1: respons per panel

Figuur 2
Voorbeelden van verschillen tussen panels uitgedrukt in deviatie van totaalscore
NB n=19: alle panels; n=17: laagste en hoogste score verwijderd;
n=15: 2 laagste en 2 hoogste scores verwijderd
Top
Volkskrant van zaterdag
16 september
TWIJFEL
Door
Hans van Maanen
Eindelijk een online peiling die laat zien dat online
peilingen niet deugen
Een van de meest
spectaculaire missers van opiniepeilers was de voorspelling van de
uitslag van de Amerikaanse presidentsverkiezing in 1948. Op grond van
die voorspelling waren de kranten al gedrukt: ‘Dewey verslaat Truman’.
De volgende dag kon Truman triomfantelijk die krant omhooghouden, want
hij was degeen die een ruime overwinning had behaald.
De fout die de opiniepelers
hadden gemaakt, was dat ze slechts telefonische interviews hadden
afgenomen en in 1948 waren mensen met een telefoon nog heel anders dan
mensen zonder telefoon.
Soortgelijke blunders, die
wat minder vaak de kranten halen, worden stellig gemaakt bij
internet-enquêtes. Hoewel tegenwoordig vrij veel mensen internet hebben,
hebben zij niet allemaal zin en tijd mee te doen aan ‘online-panelonderzoek’.
En de mensen die meedoen, zitten wellicht anders in elkaar dan de mensen
die niet meedoen.
De vraag is natuurlijk: hoe
erg is dat? Kunnen we geen enkele internet-enquête van welk gerenommeerd
bureau ook meer vertrouwen? Hoe belangrijk is representativiteit voor de
uitkomsten van panelonderzoek? En wat valt eraan te verbeteren?
Afgelopen donderdag werden op
een bijeenkomst in Utrecht de eerste resultaten bekendgemaakt van een
onderzoek dat juist deze vragen wilde beantwoorden. Een drietal gedreven
marktonderzoekers had de koppen bij elkaar gestoken, en 19
onderzoeksbureaus bereid gevonden mee te doen aan een groot experiment
om de sterke en zwakke kanten van het internetonderzoek eens op een rij
te zetten. Omdat ook de klanten van de onderzoeksbureaus in de zaal
zaten werden de conclusies wat gedempt gebracht, maar verrassend waren
ze zeker. Het idee dat internetonderzoek een representatief beeld van de
Nederlander geeft, moeten we voorlopig maar laten varen.
In Nederland wordt
uitzonderlijk veel gepaneld, waarschijnlijk het meest in de hele
wereld. Als alle panelleden van alle bureaus worden opgeteld, houden
meer dan 1,7 miljoen mensen zich beschikbaar voor onderzoek.
De eerste kanttekening is,
dat dit niet 1,7 miljoen verschillende mensen zijn. Integendeel: mensen
die aan één onderzoek meedoen, doen niet zelden aan twee of drie mee, en
soms aan meer dan tien er zijn heel wat mensen die elke dag op het
werk even een vragenlijstje doen. Uiteindelijk blijken er niet meer dan
600 duizend verschillende panelleden te zijn, maar dan nog vult een deel
van hen trouw elke voorgelegde vragenlijst in, een ander deel doet maar
heel zelden mee. De onderzoeksbureaus vissen allemaal in dezelfde,
kleine vijver met makkelijk te vangen vissen.
En dan zijn het nog bijna
allemaal goudvissen ook. Iemand die bereid is panellid te zijn, zo
blijkt uit het onderzoek van Robert van Ossenbruggen, Ted Vonk en Pieter
Willems, is alleen al daardoor sterk voorgeselecteerd, en geeft andere
antwoorden dan de rest van de bevolking. Zelfs mensen die routineus
meedoen, geven al anders antwoord dan mensen die een enkele keer zijn
overgehaald mee te doen. De goudvissen in de vijver geven antwoord, maar
wat de snoeken en de stekelbaarsjes elders in het land vinden, blijft
onduidelijk. ‘De representativiteitsassumptie komt serieus onder druk te
staan,’ noemen de onderzoekers dat.
Het betekent ook, en dat is
belangrijk voor klanten en krantenlezers, dat het niet zozeer de grootte
of de samenstelling van de panels is die de kwaliteit van een
onderzoeksbureau bepaalt, maar de mate waarin het zich de moeite heeft
getroost naar die andere vissen te zoeken.
Want niet alle
onderzoeksbureaus zijn even goed. Ze hebben allemaal meegedaan op basis
van anonimiteit, waardoor het niet mogelijk is slechte en goede aan te
wijzen, maar zeker is wel dat het er hier en daar nog flink aan schort.
De bedoeling was dat elk bureau duizend mensen zou benaderen. Dat moest
leiden tot een steekproef die een redelijke afspiegeling van de
Nederlandse bevolking zouden moeten vormen op basis van
persoonskenmerken, maar dat lukte niet iedereen. Zes van de negentien,
om precies te zijn. ‘Steekproeven worden lang niet altijd optimaal
aangestuurd,‘ zeggen de onderzoekers.
Daarnaast verschilde de
medewerking per panel aanzienlijk. Twee bureaus haalden nog geen twintig
procent respons, niemand kwam boven de tachtig. Nu zegt respons in
internetonderzoek niet alles meer (er wordt vaak geworven tot er wel een
redelijke afspiegeling van de bevolking bereikt is of men selecteert
panelleden waarvan men weet dat ze altijd meewerken), maar 170
antwoorden op 1000 uitgezette vragenlijsten is hoe dan ook wel heel
weinig.
De aanbeveling van de drie
onderzoekers aan de afnemers van internet-enquêtes liet dan ook weinig
aan duidelijkheid te wensen over: ‘Bezint eer ge begint.’ Om er direct
aan toe te voegen dat de keuze voor het ene of het andere panel
uiteindelijk weinig uitmaakt, omdat ze toch allemaal dezelfde
respondenten hebben...
Top
Adformatie 38
MOA kritisch over online
panels
[ONDERZOEK]
De Markt Onderzoek Associatie (MOA) heeft zijn
achterban opgeschrikt met een onderzoek dat uitermate kritisch is over de
kwaliteit van onderzoek via internetpanels. De samenstelling van de panels
is vaak niet evenwichtig, veel respondenten zitten in meerdere panels
tegelijk en geld is een belangrijke drijfveer om aan de onderzoeken mee te
doen.
Dit blijkt uit het
Nederlands Online Panel Vergelijkingsonderzoek (NOPVO), dat afgelopen week
in Utrecht werd gepresenteerd. Het onderzoek is een initiatief van Pieter
Willems (Millward Brown), Robert van Ossenbruggen (ProCression) en Ted Vonk
(Onderzoekpaleis). De onderzoekers concluderen dat er bij online panels
sprake is van een 'selecte, afwijkende respondentengroep'. Door de overlap
tussen panels treedt een leereffect op, waarbij ervaren respondenten anders
reageren op bijvoorbeeld reclame- en merkbekendheid, Ruim 40 procent zegt
voor het geld mee te doen. Panelleden blijken gemiddeld van 5,3 panels lid
te zijn. Als gevolg daarvan wordt online onderzoek vaak afgeraffeld, waarbij
respondenten gemakshalve 'weet niet' of het eerste antwoord aanvinken.
MOA-voorzitter Pieter Paul Verheggen zegt dat buitenlandse
zusterorganisaties op het Esomar-congres hun waardering uitspreken over dit
'transparante' onderzoek.
Top
Adformatie 40
MOA neemt internetpanels de maat
Met het Nederlands Online Panel
Vergelijkingsonderzoek (NOPVO) oogst brancheclub MOA internationale
waardering. Logisch, want dit eerste onderzoek naar
Internet panels ter wereld bevestigt dat Nederland op dit vlak een
koploper is. Toch zijn er ook serieuze leermomenten.
[DOOR JEROEN
MIRCK]
Tijdens het recente Esomar-congres in Londen kreeg de Markt Onderzoek
Associatie (MOA) veel buitenlandse lof toegezwaaid vanwege het onderzoek dat
de Nederlandse brancheorganisatie had laten verrichten naar internetpanels.
Hoewel er zeker ook tekortkomingen van online onderzoek aan het licht komen
in dit zogenaamde Nederlands Online Panel Vergelijkingsonderzoek (NOPVO), is
het in de eerste plaats een niet eerder uitgevoerde nationale inventarisatie
van dit onderzoekssegment. 'Nederland loopt wereldwijd voorop in online
onderzoek', zegt MOA-voorzitter Pieter Paul Verheggen. 'Er is geen ander
land ter wereld dat naar rato van de eigen populatie zo veel online
panelonderzoek toepast. Ook Amerika niet. Ook met dit onderzoek naar online
panels zijn we de eersten.'
Terug
in Nederland werd de MOA onaangenaam verrast door de insteek die enkele
media, waaronder Adformatie, hadden gekozen. Zo zou de samenstelling van de
panels niet altijd even evenwichtig zijn, zaten veel respondenten in
meerdere panels tegelijk en blijkt geld een belangrijke drijfveer om aan dit
soort onderzoek mee te doen. Adformatie kopte zelfs: 'MOA kritisch over
online panels'.
'Dat
klopt niet', verklaart Verheggen. 'We hebben met dit onderzoek niet beoogd
om het panel onderzoek te beoordelen. Er wordt ook geen vergelijking gelegd
met andersoortig onderzoek. Daar komt bij dat dit de allereerste studie naar
online panels is, dus valt er ook niks te vergelijken.'
BEROEPSRESPONDENT
Het
bijzondere aan de Nopvo-uitkomsten is dat er 'nu een situatie is waarin we
verschillen in uitkomsten tussen verschillende internetpanels kunnen
verklaren'. Dat zegt Ted Vonk
van Onderzoekpaleis, die
de studie uitvoerde in samenwerking met Robert van Ossenbruggen (ProCression)
en Pieter Willems van Millward Brown. 'De aspecten die daarbij een rol
spelen, hebben wij in kaart gebracht door de bureaus in kwestie te
ondervragen', vertelt Vonk.
Zowel leden als niet-leden van MOA
werden uitgenodigd en het merendeel deed mee. Van de deelnemende bureaus is
bekend hoe ze hun panelleden werven, hoe vaak die aan onderzoeken meedoen,
hoe vaak hun achtergrondgegevens worden ververst, hoeveel geld ze krijgen
per ingevulde vragenlijst en voor welk type onderzoek ze nog meer worden
ingezet.
Het
onderzoek heeft niet alleen learnings opgeleverd voor de MOA, maar ook voor
de ondervraagde onderzoeksbureaus. Volgens Vonk hebben verschillende bureaus
nadere gegevens ingewonnen bij hun respondenten, ondermeer over het
lidmaatschap van andere online panels.
Uit
het onderzoek blijkt namelijk dat er een kleine groep van
'beroepsrespondenten' bestaat, die lid zijn van soms wel negentien
verschillende panels. Deze overexposure kan makkelijk leiden tot een
'leereffect', constateren de onderzoekers. Verheggen benadrukt echter dat
daarmee geen waardeoordeel wordt uitgesproken: 'We zeggen daarmee niet dat
het slecht is als respondenten lid zijn van meerdere panels. Dat hoeft
namelijk helemaal niet zo te zijn.'
PANELNORMERING
'De
insteek van dit onderzoek was om te verklaren hoe verschillen tussen online
panels worden veroorzaakt', licht MOA-directeur Wim van Slooten toe. Daarbij
wordt internationaal nagedacht over een' lso-standaard om panelgedrag te
normeren. 'Ons onderzoek draagt daaraan bij, al zal het in grotere landen
zoals de VS heel moeilijk zijn om vergelijkbaar onderzoek op te zetten. Niet
alleen vanwege de omvang, maar ook vanwege de argwaan tussen bureaus. In
Nederland gaan we heel amicaal met elkaar om.' De MOA heeft alvast enkele
suggesties voor 'panelnormering': eenjaarlijkse update van de panellijst,
voldoende gegevens over de panelleden en (uiteraard) altijd 'opt-in' werken.Voorzitter Verheggen benadrukt nog maar
eens dat de MOA geen oordeel uitspreekt over de ondervraagde bureaus. Dat
geldt dus ook voor de beloning van respondenten. 'Wie zegt dat dat verkeerd
is? Bij schriftelijk onderzoek krijgen deelnemers ook cadeautjes.' Het is
ook niet per se de 'beroepsrespondent' die zijn vragenlijsten afraffelt.
'Dat is veeleer de slordige respondent, of het is het enthousiasme van
mensen die vragenlijsten gewoon leuk vinden om in te vullen.'
Online Panels: Nederland koploper
Nederland loopt voorop in online panelonderzoek.
Landen als Duitsland, Frankrijk en Groot Brittanie lopen volgens NOPVO
onderzoeker Ted Vonk twee jaar op ons land achter. Wereldwijd wordt 20
procent van de omzet van onderzoekbureaus online gerealiseerd. volgens
de MOA kan die omzet doorgroeien naar 30 procent, al schat Vonk op
persoonlijke titel dat er zelfs nog veel meer mogelijk is. Hij verwijst
daarbij naar Japan, waar de daar nog veel meer ingeburgerde mobiele
telefoon steeds meer mogelijkheden biedt, ook voor onderzoek. "Via gps
weet je dan precies waar de consument is".
Top
Tijdschrift voor
marketing - November 2006
"Onlinepanelonderzoek:
snel, goedkoop en waardeloos?"
Door Robert van Ossenbruggen, Pieter Willems, Ted Vonk
Van ‘de
Nederlandse marketeers’ heeft 64% grote behoefte aan onorthodox, creatief,
inventief en intuïtief onderzoek stond in de vorige editie van Tijdschrift
voor Marketing. En uit recent onderzoek van Experian blijkt dat maar liefst
95 procent van ‘de Nederlanders’ tevreden is met zijn of haar leven. En oh
ja, van Men’s Health hebben we geleerd dat het voorspel van ‘de Nederlandse
man’ gemiddeld 16,34 minuten duurt. Dagelijks zien we dit soort cijfers in
tijdschriften en op TV. We horen echter zelden dat deze cijfers gebaseerd
zijn op een specifieke informatiebron.
Onderzoek naar onderzoek
Meer dan 50% van het vragenlijstonderzoek in Nederland wordt tegenwoordig
uitgevoerd middels online access panels: grote databases van personen die
bereid zijn om met enige regelmaat vragenlijsten in te vullen. Deze
ontwikkeling is heel snel verlopen, als je nagaat dat nog geen 10 jaar
geleden Internet voor bijna iedereen een onbekend fenomeen was. Begon enkele
jaren terug nog sceptici over de generaliseerbaarheid van enquêtegegevens
die zijn verkregen via Internet, nu zien we een bijna blinde acceptatie van
deze zeer snelle en kostenefficiënte manier om data te verzamelen.
Ondertussen is de concurrentie tussen panelaanbieders enorm, staan de
prijzen onder druk en zijn er onvoldoende richtlijnen over hoe je een online
panel runt, met als gevolg een toenemende bezorgdheid over de kwaliteit van
online panels. Om te inventariseren in hoeverre deze bezorgdheid ook terecht
is, is recentelijk een uniek onderzoek uitgevoerd: het Nederlandse Online
Panel Vergelijkings Onderzoek (NOPVO). Maar liefst 19 online panels hebben
meegedaan aan een experiment waarbij deelnemers uit elk van deze panels
gevraagd werd een gestandaardiseerde vragenlijst in te vullen. Deze 19
panels vertegenwoordigen samen meer dan 90% van de Nederlandse online
panelmarkt. Dit is een unicum omdat op deze manier de kwaliteit van vrijwel
het gehele online panelaanbod in kaart gebracht kon worden.
Om panels zo goed mogelijk met elkaar te vergelijken is één vragenlijst
samengesteld, met typische marktonderzoek- en opinie vragen zoals
bijvoorbeeld de spontane en geholpen merk- en reclame bekendheid, politieke
voorkeur, levensstijl etc. Uit elk panel is aan 1000 mensen gevraagd om deze
vragenlijst in te vullen. De panels hebben hun best gedaan om deze
steekproef zo representatief mogelijk samen te stellen. De mate waarin
panelleden aan de oproep tot deelname gevolg hebben gegeven, zou al direct
een betekenisvolle uitkomst van het onderzoek zijn.
Het NOPVO-onderzoek heeft een bijzonder goed beeld gegeven van wie er wel en
niet achter de cijfers zitten, en waar marketeers hun beslissingen vandaag
de dag op baseren.
Select gezelschap
De meeste
panels waren redelijk goed in staat om de bruto steekproef van 1000 mensen
zodanig samen te stellen dat er, na uitval als gevolg van non-respons, een
evenwichtige netto steekproef overbleef in termen van algemene,
sociaal-demografische achtergrondkenmerken. Met zaken als leeftijd,
geslacht, opleiding en regio zat het qua verdeling dus wel goed. Ook kunnen
we op basis van dit onderzoek de hardnekkige gedachte dat er in zoveel
‘werklozen, huisvrouwen en studenten’ aan panelonderzoek meedoen onderuit
halen. We constateren echter ook enige hiaten. Zo zien we binnen de panels
bijvoorbeeld een consequent overschot aan heavy users van Internet,
SP-stemmers en autochtonen, om maar eens een paar afwijkingen te noemen.
De 65-plus
categorie is op voorhand al buiten het onderzoek gelaten omdat de meeste
panels moeite hebben om genoeg respondenten in deze groep te werven. Nu kan
er voor een ondervertegenwoordiging van individuele kenmerken zoals
politieke voorkeur nog wel gecompenseerd worden in marktonderzoek, maar als
er bepaalde doelgroepen wezenlijk zijn ondervertegenwoordigd wordt het
lastig. Een voorbeeld van zo’n ondervertegenwoordigde doelgroep is de groep
niet-westerse allochtonen. In de NOPVO studie maakt deze groep nog geen 1%
uit van de steekproef terwijl dit volgens CBS cijfers 9% behoord te zijn. In
de grote steden behoort meer dan 30% tot deze groep maar in het NOPVO vinden
we daar maar 2%. Hierbij moeten we echter wel benadrukken dat dit bij
traditionele vormen van onderzoek een minstens zo lastige groep is om te
bereiken. We hebben bij online panelonderzoek echter een groot voordeel: we
maken gebruik van databases waarin een heleboel achtergrondgegevens en
responsgedrag van de panelleden staan geregistreerd.
Dit betekent
dat er juist bij panelonderzoek de technische mogelijkheid bestaat om
gedetailleerd inzicht te krijgen welke groepen juist zo lastig in de
steekproef te krijgen zijn. Concreet leidt dit tot kansen om deze ‘lastige’
groepen doelgericht te werven en uit te nodigen voor panelonderzoek. Dus:
dankzij de technologische ontwikkelingen ontstaat de mogelijkheid om de
grootste bedreiging van marktonderzoek—non-respons—om te vormen tot een
belangrijke kans om survey onderzoek verder te ontwikkelen.
Variatie in panelmanagement
leidt tot ander gedrag, niet tot andere antwoorden
Aanbieders
van online marktonderzoekpanels gebruiken verschillende methodes om
panelleden te werven, variërend van online benaderen, het aankopen van
adressen, telefonisch benadering of werving via traditioneel onderzoek. Ook
gaat men verschillend om met beloning. Er worden prijzen verloot,
spaarpunten uitgedeeld of namens de panelleden schenkingen gedaan aan goede
doelen. Dit alles om deelnemers verbonden te houden aan de panels.
Deze
kenmerken hebben effect op het gedrag van de panelleden. Zo zien we dat
telefonisch geworven panelleden beter responderen dan online geworven
panelleden. In het algemeen reageren respondenten beter op uitnodigingen tot
deelname wanneer deze respondenten actief door panels geworven zijn dan
wanneer ze zichzelf hebben ingeschreven voor deelname in een
onderzoekspanel. Bovendien zien we dat actieve werving middels telefonische
of schriftelijk benadering resulteert in meer unieke leden die geen lid zijn
van andere panels, in vergelijking met werving via online campagnes en
zelfaanmelding. Vervolgens was het opvallend dat een vaste beloning
resulteert in een hogere respons in vergelijking met incentives zoals
prijsverloting of namens de respondent een bedrag aan een goed doel
overmaken.
Interessant
is dat de verschillen die we vinden tussen panels in beantwoording niet
verklaard konden worden door bovenbeschreven kenmerken. Indicatoren zoals
responsepercentage of meervoudig panellidmaatschap die in marktonderzoek als
belangrijke aanwijzingen werden gezien voor de kwaliteit van onderzoek,
blijken geen effect te hebben op de beantwoording van online vragenlijsten.
Dit is als zodanig een opvallende uitkomst. De vraag is dan vervolgens: wat
bepaalt dan wél de verschillen?
Verschillende typen respondenten
belangrijkste oorzaak van verschillen in uitkomsten
Het
onderscheid in respondenttypen blijkt ons verder helpen. Er wordt binnen
marketing en markonderzoek veel gesproken over de zogenaamde
professionele respondent: Personen die aan de lopende band vragenlijsten
invullen en van veel panels lid zijn. En die respondenten blijken inderdaad
te bestaan. Verrassend genoeg laat dit type respondent nauwelijks afwijkende
antwoorden zien op de vragenlijsten. Waar we veel alerter op moeten zijn is
het type dat wij de gemakzuchtige respondent hebben genoemd. Dit zijn
personen die zo snel mogelijk de vragenlijst invullen en niet of nauwelijks
de moeite nemen om open vragen te beantwoorden. Dit type respondent vertoont
vaak zogenaamd ‘doorklik’ gedrag: een reeks stellingen wordt allemaal van
dezelfde antwoorden voorzien, ongeacht de inhoud van de vragen. Het serieus
invullen van een vragenlijst is er niet bij. Tegenover de gemakzuchtige
respondent staat de loyale respondent. Deze neemt de tijd voor het
invullen van de vragenlijst en beantwoordt open vragen uitgebreid. Figuur 1
laat zien tot hoe de verschillende respondenttypen reageren op de vraag naar
de reclamebekendheid van een aantal merken. We zien duidelijk dat loyale
respondenten zich meer reclames herinneren dan de andere respondenttypen en
dat met name gemakzuchtige respondenten zeer slecht reageren op
reclameherinnering.
Verschillen
in marketing KPI’s zoals merk- en reclamebekendheid blijken goed te
verklaren te zijn vanuit het respondenttype. Panels met veel gemakzuchtige
respondenten leveren een relatief lage merk- en reclamebekendheid op, panels
met relatief weinig van dit type respondenten een relatief hoge.
Hoewel er
talloze voordelen aan online onderzoek zitten, is dit van zelfsprekend één
van de meest kwetsbare onderdelen van deze vorm van ondervragen: er is geen
controle over wie wat en hoe invult. Bovendien zet de combinatie van
beloning en double opt-in registratie (respondenten moeten 2 keer
zelf bevestigen dat ze deel willen nemen) de deur open naar de instroom van
gemakzuchtige respondenten. Het is een uitdaging voor panelbureaus om de
verschillende respondent typen in hun panelbestanden te traceren en
tenminste de samenstelling van respondenttypen in steekproeven op dit soort
eigenschappen vergelijkbaar te maken.
Werk aan de winkel
De uitkomsten
van NOPVO kunnen we beschouwen als een belangrijke gelegenheid om de methode
van online dataverzameling verder te professionaliseren. Want één ding is
zeker: aan de traditionele manier van enquêteren hangen zeker zo veel
bezwaren. Telefonisch kunnen we onvoldoende mensen bereiken en
straatinterviews zijn te tijdrovend om in veel gevallen nog effectief in
gezet worden.Nederland loopt in de wereld voorop met het gebruik van online
panels voor het verzamelen van opinie- en marktgegevens. Met het NOPVO
hebben we beoogd handreikingen te bieden om de kwaliteit van online
panelonderzoek verder te verhogen. De deelname van 19 panels aan dit
onderzoek bewijst dat de aanbieders van online onderzoek veel waarde hechten
aan innovatie en ontwikkeling. Er wordt op dit moment bijvoorbeeld al
gewerkt aan de inzet van creatieve wervingsmethoden om de samenstelling van
online panels te verbreden. Andere bureaus zijn bezig met de ontwikkeling
van analysetechnieken om real time de gemakzuchtige respondenten uit
het onderzoek te kunnen filteren.Kortom, er is in deze industrie zonder meer
werk aan de winkel, waar tegenover staat dat dit ook, as we speak,
gebeurt: deze relatief jonge markt is zich razendsnel aan het ontwikkelen en
continu op zoek naar aanscherping. Enige bezorgdheid en een kritische blik
zijn altijd op zijn plaats, maar Het NOPVO-onderzoek laat zien dat er genoeg
reden is om met dit onderzoeksinstrument de toekomst met vertrouwen tegemoet
te zien.
Het NOPVO is een initiatief van Robert van
Ossenbruggen (ProCression), Ted Vonk (Onderzoekpaleis) en Pieter Willems
(Millward Brown) en is uitgevoerd onder de auspiciën van de
MarktOnderzoekAssociatie (MOA). NEBU heeft geheel belangeloos het
scripten en datamanagement op zich genomen. Naast een empirisch
onderzoek bestond het NOPVO ook uit een overzicht van alle panelbureaus
in Nederland. Dit overzicht en de resultaten van dit onderzoek zoals ze
op 14 september zijn gepresenteerd zijn integraal te vinden op
www.moaweb.nl/nopvo. Een aantal highlights:
·
De meeste
respondenten doen mee met panelonderzoek omdat ze het leuk vinden om
vragenlijsten in te vullen of graag hun mening kwijt willen; de beloning
komt op de derde plek
·
In hoe
meer panels men zit, hoe vaker en sneller men respondeert
·
De
responspercentages varieerden van 18% tot en met 77%
·
Het
responspercentage zegt niets over de kwaliteit van de steekproef
·
Het
merendeel van de gevonden verschillen tussen de panels zijn niet zo
groot
·
Als er
grote verschillen zijn, komt dit in de meeste gevallen door 1 of 2
panels met een uitzonderlijke uitkomst
·
Professionele respondenten bestaan; ze vormen echter nauwelijks een
bedreiging voor de kwaliteit van onderzoek
·
Het
hardnekkige gerucht dat panels voornamelijk uit werklozen en studenten
bestaan blijkt totaal ongegrond
Belangrijke adviezen voor inkopers van online
panelonderzoek:
·
Gebruik
online panels vooral voor trendmetingen en concepttesting
·
Wees
voorzichtig met het gebruik van online panels voor penetratiemeting
·
Wissel
niet van panel in continu onderzoek: net als bij face-to-face en
telefonisch onderzoek bestaat er bij wisseling een reële kans op een
trendbreuk

Figuur 1: Verschillen
tussen type respondenten in reclame bekendheid (weergegeven als deviatie van
het gemiddelde)
Top
E-data&Research december 2006
Beperkingen van vrijwillige onderzoekpanels
‘Vraag je eerst af wat je wil weten’
‘Als je
met een panel van vrijwilligers werkt, kijk dan of zo’n panel wel de goede
weg is om je onderzoeksvragen te beantwoorden’. Dat zegt Ineke Stoop, hoofd
van de afdeling Informatievoorziening en Automatisering van het
Sociaal-Cultureel Planbureau
Stoop geeft
daarmee de belangrijkste uitkomst weer van het symposium Access panels en
Online Onderzoek over internetpanels, op 16 september op initiatief van DANS
gehouden in Amsterdam. Het moment van de bijeenkomst was goed getimed. Een
maand eerder waren de resultaten gepresenteerd van het Nederlands Online
Panel Vergelijkingsonderzoek (NOPVO) dat, georganiseerd vanuit de
marktsector, tot kritische conclusies kwam over de kwaliteit van onderzoek
met internetpanels. Ineke Stoop zelf leverde op het symposium een keynote af
waarin ze benadrukte dat er veel verschillende soorten marktonderzoek, en
daarbinnen panelonderzoek bestaan - ieder met hun eigen voor- en nadelen,
ook wat betreft de betrouwbaarheid van de uitkomsten en het mogelijke effect
van de non-respons. ‘Voor de kritische conclusies van het NOPVO en van het
hele symposium is niet de webbasis van de panels beslissend,’ zegt ze dan
ook terugkijkend, ’maar het vrijwillige karakter. Je kan ook panels
organiseren met face-to-face interviews of schriftelijke enquêtes. Maar met
een steekproef van vrijwilligers krijg je altijd een afwijking doordat het
om een specifieke groep gaat. En daarvoor kan je niet controleren omdat je
niet precies weet in welk opzicht die groep afwijkt’. Dat was inderdaad een
van de belangrijkste conclusies van het NOPVO. In marktonderzoek wordt veel
belang gehecht aan de respons, waarmee dan het percentage beantwoorde
vragenlijsten wordt bedoeld binnen het panel. De respons heeft echter wel
invloed op de efficiency van het onderzoek maar niet op de uitkomsten,
concludeerde NOPVO. Die worden sterk gekleurd door de selectie die
voorafgaand aan het panelonderzoek heeft plaatsgevonden: wie neemt er wel en
niet deel aan het panel. ‘Het grootste deel van de populatie zit niet in de
panels’, aldus de NOPVO-presentatie. ‘En die geven die àndere antwoorden’.
Wie er wel in zitten zijn bovendien vaak mensen die aan meerdere panels
deelnemen, niet zelden vanwege de interessante beloning. ‘Ons vermoeden van
een flinke overlap werd bevestigd door het onderzoek,’ zegt achteraf
onderzoeker Robert van Ossenbruggen (ProCression), die de NOPVO-presentatie
in Amsterdam mede voor zijn rekening nam. Hij voerde ook het onderzoek uit,
samen met Ted Vonk (Onderzoekpaleis) en Pieter Willems (Millward Brown).
Lastige
conclusies, zo wordt algemeen ingezien in de marktsector, waar uit
kostenoogpunt veel met de z.g. volunteer panels wordt gewerkt. Al maakt het
natuurlijk verschil of je ‘onderzoek doet naar toetjes en wasmiddelen dan
wel naar technische producten zoals digitale camera’s’, relativeert Van
Ossenbruggen. Maar het is ook een zelfkritische dus dappere conclusie,
benadrukt Stoop die naar eigen zeggen ‘naar adem zat te happen’ toen ze de
presentatie van het NOPVO een maand eerder bijwoonde. Zijn er ook
oplossingen? NOPVO komt tot een soortgelijke conclusie als Stoop: ‘Vraag je
af of je dat wat je wil weten nauwkeurig genoeg kan meten met volunteer
panels’. En: ‘Gebruik online panels vooral voor trendmetingen en concept
testing’.Van Ossenbruggen pleit desgevraagd ook voor beter panelmanagement:
‘Er moet een standaard komen. Daar wordt internationaal al aan gewerkt, maar
onze studie laat weer zien dat het echt nodig is’. Stoop wijst nog eens op
het vrijwillige karakter als oorzaak van de problemen: ‘Als je een nette
steekproef trekt kan je daarmee via internet hele betrouwbare resultaten
bereiken – ook in een panel’. Aan zo’n opzet wordt volgens de methodologe
door sommige onderzoekers ook hard gewerkt. De steekproef voor CentERdata
van de Universiteit Tilburg bijvoorbeeld, dat ook op het symposium werd
gepresenteerd als een ‘voor academische onderzoekers vrij toegankelijk
platform’ dat drijft op een panel van vijfduizend huishoudens. Die wordt ‘op
traditionele wijze’ getrokken samen met het CBS, met extra aandacht voor
moeilijke doelgroepen zoals ouderen en allochtonen die bijvoorbeeld
apparatuur in bruikleen krijgen en toegang tot het internet. Een hele
vooruitgang ten opzichte van de volunteer opzet, aldus Stoop. Maar toch:
‘Als je ouderen aan de computer gaat zetten wéét je dat dat een bepaald
soort ouderen is. En zijn allochtonen thuis op internet, dan zijn het hoog
opgeleide allochtonen’.
Top